Rug aan rug

Gelezen door: André Oyen (3342 boeken)

Ella en haar broertje Thomas groeien in het toenmalige Oost-Duitsland op in het huis van hun moeder, de beeldhouwster Käthe. Ze vluchten weg in een eigen imperium maar kunnen zich niet handhaven in een ijskoude wereld die hen vijandig benadert. Käthe zet zich met hart en ziel in voor de idealen van een nieuw, beter Duitsland, nadat ze als jodin de nazitijd heeft overleefd, kiest ze hoopvol voor het communistische Duitsland. Haar kinderen betalen echter daarvoor de prijs.

Tegenover haar eigen kinderen is ze afstandelijk en kil. Ze heeft geen oog voor Ella’s kwetsbare eenzaamheid en ook niet voor het verlangen naar liefde van Thomas. Hoe de kinderen ook hun best doen, het huis schoonmaken, soepjes koken van de weinige voorraden, Käthe blijft ze uiterst afstandelijk en kil behandelen. Haar tweeling van een paar jaar oud heeft ze zelfs naar een opvanghuis gestuurd. Die dwarrelen slechts af en toe door het boek. De kinderen groeien op met alleen elkaar als houvast in het leven, rug aan rug en toch alleen.

Terwijl Ella haar toevlucht zoekt in ziekte en af ten toe opstandig is, probeert Thomas zich aan te passen aan de wensen van zijn moeder. Thomas is in alles meegaand. Hij is mama’s ideale model, letterlijk en figuurlijk, maar toch vernedert ze hem. Hij haalt tienen op school, maar wordt naar een steengroeve gestuurd. En dat terwijl hij voorbestemd is om woordkunstenaar te worden. Thomas zelf wil dichter worden. Met steeds meer moeite verdraagt hij de vernederingen.

Dan wordt in 1961 de Berlijnse Muur gebouwd en escaleert de situatie helemaal. Er zijn onderhuurders, duidelijk Stasi-agenten die de ‘ontaarde kunstenaarswereld’ in de gaten houden. De staat heeft allang tegen het individu gekozen. Niemand is daadwerkelijk geïnteresseerd in de beeldhouwwerken van Käthe, maar zij gaat onverdroten voort.
De onderhuurder vergrijpt zich aan de inmiddels zeventien jaar oude Ella. Ella trekt zich terug in een zelfbedachte wereld. Ze creëert een eigen taal om in te schuilen.

Julia Franck schrijft prachtig maar het is wel een onbarmharmtig schrijnend verhaal van een gekweste vrouw die haar kinderen levenslang geestelijk verminkt. De heldin in het verhaal is een zeer ambivalente figuur, gebaseerd op Julia Francks grootmoeder. Die laatste had in de zomer van 1945, in de chaos van de vlucht, haar zevenjarige zoon achtergelaten bij een station op het platteland. De zoon zag zijn moeder nooit meer terug, nooit sprak hij over het grote trauma. Die ogenschijnlijk barbaarse daad van de moeder was voor kleindochter Julia Franck een aanleiding om in de familegeschiedenis te duiken.
De roman krijgt een extra geladenheid wanneer duidelijk wordt dat de auteur bestaande gedichten in het geheel verwerkt zijn, die de auteur heeft ontleend aan de nalatenschap van een oom die op achttienjarige leeftijd in 1962 omkwam.

 | Reacties (0)Delen |
0 reacties:

Locatie: Oost-Duitsland